Oh groentenhof, ik tuit mijn lof
over die hof van heden.
Die vreugde teelt, uit menseneelt
en kromgebogen leden.
De koude stokt, de lente lokt
de holen uitgekropen!
De tuinder waait, de tuinder zaait
z’n hoofd en handen open.
De zomer bol, de manden vol
met groente en met vruchten.
Het zweet zingt luid, het lichaam uit
in wolkenloze luchten.
De herfst begint, zie ze in wind
en weer de stelen rapen.
De aarde geeft, al wat ie heeft
om daarna te gaan slapen.
De winter leit, het zwart tapijt
onder een witte deken.
De tuinder wacht, tot alle pracht
weer open zal gaan breken.
Zo draait ie rond, van grond naar mond
De cirkel van het leven.
De zaaier bot, zijn eigen god
het zaad tot vrucht verheven.
Dus zing de lof, van de groentenhof
waar mensen met hun handen,
met harteklop, riek en schop
de hemel laten landen.